Live Coding

Hoe vaak zindert een elektronisch live-optreden van de spanning die je kan ervaren tijdens een jazz-gig? Live coders blijken de nieuwe jazzmuzikanten. Of is een podium opkruipen om een programma te schrijven terwijl het al in werking is soms niet improviseren op het scherp van de snee?

Elke concertganger kent het beeld van de elektronische muzikant die op een podium naar het scherm van zijn laptop staat te staren alsof hij zijn mailbox aan het checken is. Als je zo’n podiumbeest op de vingers zou mogen staan kijken, zou het geeuwen je ook niet vergaan. De elektronische muzikant die zijn files thuis vlijtig heeft geprepareerd, kan ze live als het ware door een kleuter laten afspelen.

Ach ja, ter compensatie halen sommige knoppenknobbels de grote gebaren boven. Ze gaan waanzinnig tekeer, terwijl een beetje kenner weet dat hun podiumverschijning niet meer dan enkele muiskliks vergt.

De uitzonderingen die de nieuwsgierigheid wél opwekken, gunnen ons slechts een glimp van hun werkwijze. Niemand weet precies hoe de muziek van pakweg Autechre ontstaat. Het is eigen aan machinaal gecreëerde muziek: als de trukendoos eenmaal open is, kunnen anderen vaak even makkelijk vergelijkbare resultaten halen. Geen wonder dat elektronische zwaargewichten als Autechre en Aphex Twin hun procédé geheimhouden. Dat de mystiek daarmee in stand wordt gehouden, is mooi meegenomen.

Vroeger, voor het aanbreken van dit hoogtechnologische tijdperk, was dat wel even anders. Een ijverige muziekstudent kon bijvoorbeeld perfect begrijpen hoe Charlie Parker met zijn toonladders omging. Maar dat garandeerde geenszins dat de vingers ook meewilden. Je was verzekerd van twintig jaar noeste arbeid voor je ook maar een beetje kon fluiten zoals Bird.

Waarover had Ornette Coleman het toen hij in 1959 orakelde over The shape of jazz to come? Wat was er nog verder terug in de tijd al zo spannend aan het ontstaan van de be-bop, zowel op als voor het podium? De mogelijkheid om nieuwe ideeën onmiddellijk toe te passen, elk moment drastisch van koers te kunnen veranderen, en, waarom ook niet, uit de bocht te vliegen. Wie dat het afgelopen decennium regelmatig heeft voelen gebeuren tijdens een concert met elektronische muziek, mag nu zijn vinger opsteken.

Live coding is het schrijven van (delen van) een programma op het moment dat het al in werking is. De programmeercode wordt dus een onderdeel van het artistieke proces, de programmeur een improviserende muzikant.

De vernieuwing komt uit de hoek van de hackers, die de oude slogan ‘Information wants to be free’ hoog in het vaandel dragen. Een hacker is bereid zijn kennis met iedereen te delen. Bij live coding blijkt dat principe geenszins een lege doos. Vaak toont de hacker-artiest de codes die hij invoert tijdens zijn optreden volledig en zonder shortcuts op een scherm. Niks in de mouwen, niks in de zakken: wie de programmeertaal kent, kan het compositieproces gewoon volgen en de gebruikte technieken in zijn eigen composities toepassen. En kan er dan zelf mee aan de slag als hij dat wil : programma’s ontwikkeld voor live coding zijn open source. Zo zorgt deze collaboratieve benadering voor interessante nieuwe invalswegen.

Hoeft het dan nog te verwonderen dat de nieuwe stroming ook een maatschappijkritisch jasje aantrekt? Sinds de intrede van de grafische interface zijn wij, icoontjesklikkers, het verleerd om computers zélf te programmeren. We zijn allemaal gemakzuchtige computerconsumenten. Live coding is een kunstvorm die mensen uitnodigt de mogelijkheden van de computer opnieuw vanuit de eigen creativiteit te benaderen, alsof je een muziekinstument leert bespelen. Achter de grafische interface schuilt een taal die we weer zelf kunnen leren spreken, in de plaats van onze toevlucht te nemen tot de door multinationals voorgekauwde software.

Het zijn uiteraard de ‘muzikanten’ die zich aangesproken mogen voelen. Een toeschouwer hoeft geen jota van de code te begrijpen, zoals je geen akkoorden en noten hoeft te kennen om weggeblazen te worden door een gitaarsolo. Al ligt de drempel niet bepaald laag. Een live coder in de dop moet bereid zijn een nieuwe computertaal aan te leren. Zonder enige kennis van notenleer is het bovendien moeilijk te omschrijven wat je wil genereren, en een voorliefde voor abstract denken komt ook van pas.

Maar u wil natuurlijk namen. De pioniers van het deze nieuwe stroming zijn o.a Andrew Sorensen (AUS), Alex Mclean (UK) , Thor Magnusson (UK) , Norah Lorway (CAN) , Renick Bell (JPN), Alexandra-Cardenas (COL), Dave Griffiths (UK), Sam Aaron (UK).

De resultaten die Sorensen bereikt zijn verbluffend : soms bouwt hij een programma op dat springt en stuitert als Autechre, andere keren klinkt hij als Keith Jarrett. Andere studies benaderen het geluid – of gebrek daaraan – van de minimalistische componist Arvo Pärt. En je kan zien dat hij er maar een halfuurtje over doet om een volledige compositie op te bouwen.

Alex McLean leunt dan weer aan bij Happy Hardcore.

De nieuwste ontwikkeling binnen de live-coding scene is een zogenaamde ‘Algorave’.

Op deze concerten wordt er enkel geprogrammeerd om mensen te laten dansen op de code.

Comments are closed